Tijdens het Leipziger Bachfest 2000 vond er een podiumdiscussie plaats tussen een aantal vooraanstaande
Bachvertolkers. De veel te kleine zaal was stampvol en buiten stonden velen via luidsprekers de discussie te
volgen. Gustav Leonhardt opende het gesprek met de opmerking: “Hier zitten de mensen, waarvan u denkt dat
zij weten hoe het moet. Dat moet u vooral blijven geloven, maar als u eens wist hoe weinig we werkelijk weten!”
Dit geldt niet alleen voor onze manier van spelen, maar ook voor onze kennis omtrent achtergronden van Bachs’
muziek. Hield Bach bij het componeren van koraalbewerkingen rekening met de tekst en zo ja, hoe dan? Speelde
allerlei symboliek een rol?
Gedurende het leven van Bach verschenen een aantal koraalbewerkingen in druk. Clavierübung III verscheen in 1739, de 6
Schübler-Choräle en de Kanonische Veränderungen over “Vom Himmel hoch” rond 1747. In Leipzig herzag/verbeterde Bach 18
koraalbewerkingen uit de tijd in Weimar en legde hij een verzamelhandschrift aan. Dat handschrift bevatte de triosonates,
17 herziene koraalbewerkingen, de Kanonische Veränderungen en tenslotte “Vor Deinem Thron tret ich hiermit”. Dit laatste
stuk is de herziene versie van “Wenn wir in höchsten Nöten sein”. Bach heeft dit op zijn sterfbed gedicteerd aan iemand
die hem de oudere versie op een huiselijk pedaalinstrument voorspeelde. Deze persoon heeft de herziene versie genoteerd
in genoemd handschrift. Mogelijk had Bach het plan deze ‘18 Choräle’ eveneens uit te geven of wellicht had hij nog meer
stukken gereviseerd en in het handschrift opgenomen als hij langer had geleefd. Bij de eerdergenoemde uitgaven
is het verband tussen de stukken duidelijk, de Schübler-Choräle zijn transcripties van cantatedelen; in Clavierübung III
betreffen de koraalbewerkingen het Kyrië en het Gloria (vaste bestanddelen van de liturgie) en de catechismusliederen
(vgl. de kleine catechismus van Luther); de 18 Choräle behoren zeker tot die bewerkingen die hijzelf belangrijk vond.
Het Orgelbüchlein bestaat uit korte koraalbewerkingen, grotendeels speelbaar voor serieuze amateurs. We weten niet waarom
en wanneer Bach ze schreef. Hij begon er op zijn vroegst mee nadat hij in 1707 hoforganist in Weimar was geworden, maar in
zijn Leipziger tijd heeft hij nog minstens één bewerking genoteerd. De opzet was groots, Bach legde een gebonden boek aan,
waarin hij direct 164 titels noteerde. Daarmee stond de omvang van de geplande stukken vast, één pagina voor korte melodieën,
iets meer ruimte voor de langere. De (na 1720 geschreven) titel luidt vertaald: Orgelboekje (met daarin 48 uitgewerkte koralen),
waarin voor een beginnende organist een handleiding wordt gegeven om op allerlei manieren een koraal te bewerken en zich daarbij
ook te bekwamen in het pedaalspel, doordat in de zich daarin koralen het pedaal geheel obligaat behandeld is. De hoogste God alleen
ter ere, voor de naaste om eruit te leren. Getekend: Johann Seb. Bach, kapelmeester aan het hof te Köthen.
Wilde Bach demonstreren hoe je de tekst uit kunt beelden? Had hij aantrekkelijk lesmateriaal nodig? Hij schreef ze niet voor
zijn oudste zoon, diens beentjes waren nog te kort om het pedaal te bereiken. Reeds Spitta hield zich bezig met het verband tussen
woord en toon bij Bach. Schweitzer beschouwde het Orgelbüchlein als een woordenboek van Bachs’ muzikale taal, maar het is ook een
verzameling orgeletudes.
Bach gebruikt drie vormtypes:
1. Het Orgelbüchlein-type (33 keer). Daarbij ligt de volledige cantus firmus (melodie) in de sopraan, zonder tussenspelen
en zonder opvallende versieringen (uitzondering: Christum wir sollen loben schon, c.f. in de alt). De tegenstemmen zijn grotendeels
gebouwd op hele korte motieven, dikwijls ter lengte van één teleenheid, hoogstens van één maat. Die motieven zijn meestal opmatig
en zetten gewoonlijk na de eerste melodienoot in. Een voorbeeld voor dit type waren die variaties uit de partita’s van Pachelbel,
waarin de melodie in de bovenstem ligt en de andere stemmen uit één motief ontwikkeld zijn (b.v. “Was Gott thut das ist wohlgetan”,
variatie 1). Het voorbeeld is manualiter, bij Bach is het pedaal obligaat. Vaak is er maar één manuaal nodig. 2. Gecoloreerde c.f. in de diskant (3 keer). Hierbij is het tempo vaak langzamer dan bij type 1. Voorbeeld hiervoor zijn de
koraalvoorspelen van Buxtehude, zoals Bach die in Lübeck hoorde. Buxtehude maakte daarbij veel voorimitaties in de onderstemmen.
Na enkele jeudwerken zag Bach van die voorimitaties af (dit geldt voor de 3 uit het Orgelbüchlein) of hij werkte de voorimitaties
juist uitvoerig uit (zoals bij de 18 Choräle). 3. Koraalcanons (8 keer). Bach was familielid, vriend en collega van Johann
Gottfried Walther (1707-1748 organist aan de stadkerk in Weimar). Samen verdiepten ze zich in allerlei compositorische zaken, zoals
de Italiaanse concerti en de canon. Waar Walther zich echter beperkte tot canons in het octaaf en de afzonderlijke regels scheidde
door tussenspelen, maakte Bach allerlei ingewikkelde canons. “In Dir ist Freude” is de enige bewerking die niet onder een van deze
3 types valt.
Problemen
Probleem 1: Bach noemt het getal 48. Sommige uitgaven hebben maar 45 nummers. “Christ ist erstanden”
bestaat uit 3 verschillende verzen. Van “Liebster Jesu, wir sind hier” noteerde Bach een eerdere en
een later versie. Van “O Traurigkeit” is maar één maat genoteerd, die niet in elke uitgave opgenomen
is. Je kunt dus sommige dingen wel of juist niet tellen en zo op 48 uitkomen. Wolfgang Stockmeier
voltooide enkele onvoltooide werken, waaronder “O Traurigkeit” (Ed. Kistner und Siegel). Kort voor
het Bachjaar 1985 werd de Neumeisterverzameling gevonden, met 82 koraalbewerkingen, waarvan minstens
35 in elk geval composities van de de jonge Bach zijn. Van veel uiteindelijk niet voor het
Orgelbüchlein bewerkte melodieën vind je een bewerking in de Neumeisterverzameling.
Probleem 2: Waarom noteerde Bach “Liebster Jesu” twee keer? De verschillen zijn minimaal. In de eerste
versie (BWV 634) zijn er verschillen tussen de beide canonstemmen (canon in de onderkwart). Bach
verbeterde dit, zette bij de R.H. ‘distinctus’ (dat wil zeggen rechterhand uitkomend). Een kwartnoot
in het pedaal verving hij door een octaafsprong van twee achtsten, waardoor er niet meer 12
octaafsprongen in het pedaal waren, maar 14. Hiermee komen we op een punt waar misschien
verschillend over gedacht kan worden, de getallensymboliek. Men ging destijds uit van 24 letters
(i = j = 9 en u = v = 20). Bach = 2 + 1 + 3 + 8 = 14. J. S. Bach = 9 + 18 + 2 + 1+ 3 + 8 = 41). Ik nodig
u uit zelf een onderzoekje te doen in de Matthäus Passion. Nadat Jezus het verraad van een van de
leerlingen heeft aangekondigd, vragen die ‘Herr, bin ich’s?’. Hoe vaak wordt die vraag gesteld? Tel de
continuo-noten bij ‘Trinket alle daraus’. De aardbevingsscène na de Kruisiging valt in 3 delen uiteen,
tel ook daarvan de continuo-noten. Kijk naar de tekst van de 4 Psalmen, waarvan het nummer overeenkomt
met de uitkomst van uw telwerk, die Psalmen passen precies bij de gezongen tekst! Hans Brandts Buys
geeft in zijn boek over de passies van Bach zoveel voorbeelden dat toeval is uitgesloten. Hij nam ook
de tijdsduur van diverse uitvoeringen op. In het tweede deel zegt de hogepriester: ‘Ich beschwöre dich
bei dem lebendigen Gott, daß du uns sagesot, ob du seiest Christus, der Sohn Gottes. Jesus sprach zu
ihm: Du sagest’s’. Dit antwoord op de meest essentiële vraag uit het Evangelie valt precies halverwege
de passie. Sinds ik dit las, let ik op de tijdsduur van de door mij bezochte uitvoeringen, het klopt
steeds. Enkele voorbeelden van tekstuitleg en symboliek uit het Orgelbüchlein In “Nun komm der Heiden
Heiland” vind je heel vaak een kruismotief van 4 zestienden, al direct in de c.f. op de derde tel in de
eerste maat. Trek een lijntje van de 1e naar de 4e noot en ook een lijntje van de 2e naar de 3e noot en
je hebt een kruis. Bij elke regel van de melodie vind je een dalende beweging in het pedaal (en in de
tenor in de slotmaat). Terwijl de bewerking hier en daar zelfs vijfstemmig is, valt de rust aan het
begin van maat 8 extra op, de eenzaamheid van de nederige geboorte.
In “Herr Christ, der einig Gottes” is de pedaalpartij gebaseerd op het eerste motief van die partij. Dat
motief opent het bekende Praeludium (met Ciacona) in C van Buxtehude, het speelt een opvallende rol in de
pedaalsolo in de C-Dur van Böhm en in “Herzlich lieb hab’ ich o Herr” uit de Neumeister-Choräle. Doordat
Bach de tweede helft herhaalt (dat stond niet in zijn gezangenboek) heeft de c.f. 76 noten. Venus (de
morgenster) = 20 + 5 + 13 + 20 +18 = 76. De 5e regel van de tekst - ‘Er ist der Morgensterne’ - wordt
fraai onderstreept doordat de begeleidende motieven in 2 stemmen tegelijk voorkomen.
In “Vom Himmel hoch” vind je in maat 9 in de tenor en de alt 5 keer een figuurtje dat overeenkomt met de
eerste 4 noten van “O Hoofd vol bloed en wonden” (stijgende kwart, 2 dalende secundes).
In “Christum wir sollen loben schon” gebruikt Bach de volledige omvang van de meeste orgels uit zijn tijd,
van C in het pedaal tot en met c3 in het manuaal. Dit is alleen mogelijk door de c.f. in de alt te leggen.
De tekst is dan ook ‘Christum wir sollen loben schon, der reinen Magd Marien Sohn, soweit die liebe Sonne
leucht und an aller Welt Ende reicht’. Alle diatonische tonen worden gebruikt, de zon komt overal. In maat
6 worden die beide uiterste tonen tegelijk gebruikt, de Latijnse tekst is daar ‘ad usque terrae limitem’.
In “Helft mir Gotts Güte preisen” zetten de middenstemmen 12 keer in met een motiefje van 4 noten (opmaat
tenor, maat 1 alt, 2 bas, 3 tenor en bas, 4 bas, 6 bas, t 8 tenor en alt, 9 bas en tenor, 10 bas). Het
chromatische motief van 6 tonen, dat zo belangrijk is in “Das alte Jahr” komt in dit stuk twee keer voor
in de alt (maten 11 en at 13), 6 +6 =12. Het jaar heeft 12 maanden! Verder is er in de tenor een aantal
(meestal dalende) toongroepen die plotseling afbreekt, het oude jaar verdwijnt.
“Das alte Jahr vergangen ist” telt precies 12 maten: 12 keer hoor je hetzelfde chromatische motief van
6 noten. Het laatste figuur van de c.f. telt 12 noten, die 6 Seufzers tellen. De laatste maat heeft in
de 3 onderstemmen precies 12 noten. Het jaar heeft 12 maanden. In “Da Jesus an dem Kreuze stund” valt
het op dat er harmonisch nauwelijks akkoorden in grondligging zijn en als ze er zijn dan niet langer d
an een zestiende. Er zijn veel septiemakkoorden. De klank is schrijnend (‘Da Jesu an dem Kreuze stund
und ihm sein Leichnam ward verwundt, sogar mit bittern Schmerzen’), het lied gaat over de 7 kruiswoorden
(‘die sieben Wort, die Jesus sprach, betracht in deinem Herzen’). Precies in maat 7 is de c.f. aangekomen
bij ‘sieben Wort’. Het al bij “Vom Himmel hoch” genoemde figuurtje vind je letterlijk 13 keer, voor het
eerst in de tenor op de tweede zestiende in maat 1. Als je het figuurtje dat op in maat 9 op de 14e
zestiende van de tenor begint als variant accepteert, kom je tot 14 keer! De c.f. heeft 48 noten, INRI =
9+13+17+7 = 48. Het pedaal heeft 7 syncopische octaafsprongen omhoog en een septiemsprong op G (= 7) in
maat 3.
Voor de toehoorder is het moeilijk waar te nemen, maar in “O Mensch bewein dein Sünde groß” citeert Bach “Was Gott thut,
das ist wohlgetan” en “Vom Himmel hoch”. In “Christ lag in Todesbanden” wordt de c.f. niet versierd, behalve de 6e regel
‘Gott loben und ihm dankbar sein’. Die regel telt 14 c.f.-noten. Bach kende ons kerklied waarin gezegd wordt dat hij ‘de
maat der eng’len mag slaan’ nog niet (helaas zijn bazen ook niet). In “Dies sind die heilgen zehn Gebot” noteert Bach de c.f.
in halve noten. Dit stuk bestaat uit 20 ½ maat, de c.f. heeft dus de lengte van 41 halve noten. 41 = J.S. Bach. Verder hoor
je de eerste regel 10 keer letterlijk, de eerste keer in halve noten, de andere 9 keer in de dubbele verkleining (in achtsten).
De verkleining begint met 5 gelijke noten op de 2e of de 5e achtste van de maat! Je vindt dit motief in het pedaal in de
opmaat op G, in maat 4 op c en10 op C; in de tenor in 1 en 9 op g, 11 op c, 13 en 18 op g; in de alt in 15 op d1. Bovendien
komt die verkleinde 1e regel 10 keer als variant voor, waarbij grote secunden door kleine worden vervangen en kleine door
grote of het thema in de omkering wordt geplaatst. Je vindt dit in het pedaal in maat 5 op B, in 8 op c, in 12 op Bes, in13
op f, in 16 op g en 17 op f; in de tenor in 5 op a en in 7 op d; in de alt in 3 op d1 en in 11 op f. Onwillekeurig denk je
eraan dat Mozes de stenen tafelen twee keer kreeg. Dan zijn er nog 5 vrijere varianten (in maat 2 in het pedaal, 8 alt, 14
pedaal, 18 alt en 19 pedaal). Wat denkt u van de tenor in maat 12? Ook in “Vater unser im Himmelreich” komt een kruismotief
voor, 41 keer! 28 keer gebeurt dit normaal (rectus), 13 keer in omkering (inversus). De intervallen kunnen wisselen, maar de
richting klopt steeds. Het grootste interval in dit motief is een kwint, behalve de veertiende keer, dan is het een sext
(maat 4, 3e tel in de tenor). In het notenvoorbeeld heb ik ze aangegeven met r en i. De laatste 4 noten van de tenor vormen
een ander motief, 1e en 3e noot zijn gelijk.
De zondeval val van Adam wordt in “Durch Adam’s Fall ist ganz verderbt” zeer duidelijk geïllustreerd door de vele septiemsprongen
in het pedaal. Het motiefje waarmee de alt inzet, komt 14 keer voor in de alt en de tenor, 8 keer gewoon (dalend), 6 keer in
omkering (stijgend). Soms is het met enkele noten verlengd, soms mist de eerste noot, waardoor het gauw over het hoofd wordt gezien
bij de analyse.
Bij “Wenn wir in höchsten Noten” sein vind je de hoogste noten van de c.f. in maat 2, precies bij het woord ‘höchsten’.
Interessant
is dat Bach in “Vor Deinem Thron” op ‘Wenn wir’ terug grijpt, hij schrapt de versieringen en voorziet elke regel van voorimitaties,
de onderstemmen bij de uitkomende stem worden grotendeels overgenomen. De c.f. bij “Vor Deinem Thron” bestaat uit 41 noten.
In “Ach wie nichtig, ach wie flüchtig” komen dezelfde toonladderfiguren voor als in Partita 4 van Böhms’ variaties en Bachs’
cantate 26 over hetzelfde lied.
Over de canonische bewerkingen valt het volgende te zeggen: Uitgaande van de tekst wordt een canon vaak gebruikt als er wordt
gesproken over zaken als regel en gehoorzaamheid (wet en navolging) of de eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest (b.v. in de
Hohe Messe de duetten ‘Domine Deus” en “Et in unum Dominum”). Dit geldt zeker voor de vier bewerkingen voor de Lijdenstijd:
Christus is gehoorzaam tot het einde. In andere gevallen nodigt te melodie uit tot canonische bewerking. “Gottes Sohn ist kommen”:
God is de Princeps, de eerste (registratie: Principal). De canon is haast onmogelijk, daarom past Bach het ritme van de pedaalstem
(de tenor) steeds aan. De pedaalstem is de mens, die steeds weer in zonde valt. Soms liggen de canonstemmen zo dicht bij elkaar,
dat een logische invulling van de andere stemmen bijna onmogelijk is. Bij “In Dulci Jubilo” gaan ook de tegenstemmen in canon,
behalve bij de slotregels gaat dat niet, daar vormen ze een vrije triolenbeweging. Over het al of niet aanpassen van de repeterende
kwartnoten aan de triolen lopen de meningen uiteen. “O Lamm Gottes, unschuldig” en “Christe, du Lamm Gottes” zijn Duitse liederen
gebaseerd op het ‘Agnus Dei’ . Beide bewerkingen zijn een canon in de kwint. Bij “O Lamm” is de tweede canonstem verborgen tussen
de seufzer van de sopraan en de bas (tenzij je de canon met dubbelpedaal speelt), de seufzers zijn wellicht belangrijker dan de canon.
Bij “Christe, du Lamm Gottes” valt op, dat de bewerking in F begint, maar op de dominant van C eindigt. De reden hiervan is simpel,
Bach bewerkte één strofe, het in de liturgie gebruikelijke Amen ontbreekt. In “Christus der uns selig Macht” is de tweede stem van
de canon tegelijk de bas van de bewerking. Die bas heeft enkele ritmische aanpassingen. Er zijn felle dissonanten en nogal wat
syncopen. Er is veel chromatiek. De tekst vertelt het lijdensverhaal in krasse bewoordingen , die door de muziek geïllustreerd
wordt. Let op maat 9-11: ‘als ein Dieb gefangen’, alle vier stemmen in zeer lage ligging! “Hilf Gott, daß mir gelinge” vertelt in
13 strofen de hele heilsgeschiedenis vanaf de profetie van Jesaja: via Kerst, Lijdenstijd, Pasen en Hemelvaart tot Pinksteren. In
de tekst ligt de nadruk wel op het lijden van Christus. De beide bovenstemmen vormen een canon in de onderkwint (maat 9-13 in de
onderkwart), waarbij de alt tal van ‘foute’ noten heeft. Vanaf de laatste kwartnoot in maat 7 gaat de canon precies 7 medodie-noten
goed (‘daß ich mag fröhlich heben an’), zelfs ich=Bach lukt het niet helemaal! Let op de syncope in het pedaal (direct aan het begin
en dan 7 keer, in de maten 2,4,6.8,13 -twee keer- en 15). De titel van dit stuk is bepaald ook van toepassing op de speler, al zal
Bach dat wel niet bedoeld hebben. In maat 13 lijkt het wel een complete puinhoop. Veel eenvoudiger heeft de speler het in de beide
laatste canons. In “Erschienen ist der herrliche Tag” (canon tussen sopraan en bas) heeft de bas enige aanpassingen. De middenstemmen
zijn gebaseerd op de zogenoemde “figura corta”, een teken van vreugde. “Liebster Jesu, wir sind” is een canon in de onderkwart,
tussen sopraan en alt. Bach gebruikte A majeur vaak voor milde, lieftallige affecten (b.v. het Praeludium en Fuga in A).
Wilt u meer lezen? Graag verwijs ik naar twee recente, zeer informatieve boekjes (met notenvoorbeelden). De Bärenreiter Werkeinführung
van Sven Hiemke bespreekt mogelijke modellen, de datering en vermeldt de complete tekst. Kees van Houten vermeldt in zijn boekje slechts
één couplet, maar gaat verder in de tekstuitleg. Waarom schreef Bach uiteindelijk geen 164 bewerkingen? Waarschijnlijk waren binnen de
vooraf vastgelegde omvang alle mogelijkheden tot individuele vormgeving uitgeput. Momenteel werken een aantal organisten/componisten aan
bewerkingen van de door Bach niet bewerkte melodieën. Deze zijn te vinden en deels te beluisteren en te downloaden op www.orgelbuechlein.co.uk.
Een gedeelte is ook uitgegeven bij Edition Peters (en verkrijgbaar bij een u bekende muziekwinkel, red.). In oktober 2018 organiseert de
KVOK een studiedag over het Orgelbüchlein bij het gerecontrueerde Schnitger-orgel in de Evangelisch-Lutherse Kerk in Groningen.